Snerttijd

Snerttijd is de winterse tegenhanger van de zomerse komkommertijd.

De tijd van het weekeinde voor kerst tot en met het eerste weekeinde van het nieuwe jaar. Algauw zo’n twee à drie weken.

Een tijd waarin de politiek op kerstreces is en alle andere mensen, bedrijven en organisaties bezig zijn met afsluiten en weer opstarten. Een tijd waarin de media graag onze aandacht vragen voor lijstjes, terugkijken en vooruitblikken, bij gebrek aan écht nieuws.

Kortom: snerttijd

Plasticmoeheid

“Plasticmoeheid” zei de monteur toen ik hem vroeg hoe het nou kon dat een radiatorknop zomaar afbreekt.

Een sauna was het, toen ik vanavond thuiskwam na een dag orderpicken. Toch had ik alle verwarmingen in huis uitgedaan voordat ik vanmorgen vroeg wegging. Maar één radiator in de woonkamer stond te gloeien alsof het de kauwen op het dak wilde grillen.

De knop was weg en bleek na even zoeken onder de bank aan de andere kant van de kamer te liggen. Blijkbaar was het ding met kracht ineens losgekomen en weggeschoten. Een goede aanleiding om de storingsdienst van verhuurder Tiwos te bellen.

Die me een ander nummer gaf.
Dat het niet deed.
Waarop ik hen voor de tweede maal belde.
En ik een tweede nummer kreeg.
Die het evenmin deed.
Waarop ik hen voor de derde keer belde.
Waarop ze zelf de monteur gingen bellen.

Die vervolgens om half tien ’s avonds zou komen maar waarschijnlijk de boel niet meteen zou kunnen repareren. Om half negen was ie er. Zo’n knop had ie nog wel in de auto liggen. Binnen vijf minuten was hij weer vertrokken.

Wel had de monteur veel complimenten voor mijn vindingrijkheid, want ik had ondertussen een imbusbitje in het afgebroken mechaniek geduwd, waardoor de radiator was gestopt met heel hard gloeien.

En nu ben ik moe. Misschien ook wel plasticmoe.

Geen licht

Ik zou voor het donker weggaan
want ik heb geen licht.

En nu fiets ik in het donker
zonder licht.
Onzichtbaar.

Een gevaar
op de weg.
De schrik van elke
bij voorbaat schuldige
automobilist.

De lichtjes van mijn fiets
zitten in de zak
van mijn andere jas.

Ik dacht er niet aan
toen ik wegging
terwijl het licht was
en de zon helder scheen.

Nu peddel ik onzichtbaar
in het donker langs
de Bredaseweg.

Geen licht.

Ik omzeil een mutsdraagster met licht
trap schuldbewust voort door het donker,
bedenkend wat ik zeggen zal
tegen de agent die me aanhoudt:
Ja meneer, u heeft gelijk meneer,
een gevaar op de weg meneer, ik betaal die boete wel.

Mutsdraagster met licht stopt naast me
bij het verkeerslicht
ze blijkt een bekende.
Ook uit geweest.
We fietsen samen verder,
haar licht is nu een beetje mijn licht.

Niet meer onzichtbaar bereiken we Tilburg
en zeggen “tot ziens”.